Er zijn op de momenten dat het er echt toe doet

 

 

๐—ฉ๐—ฟ๐—ถ๐—ท๐˜„๐—ถ๐—น๐—น๐—ถ๐—ด๐—ฒ๐—ฟ ๐—ฆ๐—ต๐—ถ๐—ฟ๐—น๐—ฒ๐˜† ๐˜ƒ๐—ฒ๐—ฟ๐˜๐—ฒ๐—น๐˜


We zitten samen te eten. Ik vraag of het smaakt en jij vouwt enthousiast een frietje in je mond. We zouden best twee mensen in een restaurant kunnen zijn. Collega’s, vrienden, geliefden, vul maar in.

Aan de buitenkant zie je niets van de trage, onafwendbare vernietiging die er in je hersenen plaatsvindt. Er groeit een grote tumor in je hoofd die alles op zijn weg vermorzelt en je steeds verder van de buitenwereld verwijdert. We zijn geen collega’s, vrienden of geliefden en dit is geen restaurant. Dit is een hospice en ik eet met je mee omdat jij de draad kwijtraakt als je niet met iemand ‘mee’ kunt doen.

Ik zit naast je bed. In de overdracht staat dat er nauwelijks nog contact met je te krijgen is. Je bent wakker, maar reageert ogenschijnlijk nergens op. Ik pak je hand en zeg dat je maar moeten knijpen als de woorden niet meer willen. Dat ik je zie. Dat ik weet dat je er nog bent.

Je ogen glijden rusteloos over me heen. Ik pak een foto van je nachtkastje en wijs je kinderen aan. Je knijpt mijn hand bijna fijn. Je ademt een keer bibberig en er glijdt een traan over je wang. De kanker heeft je vermogen tot communiceren bijna helemaal weggenomen, maar de liefde voor je kinderen is sterker.

Je bent stervende. Je lichaam is op en kan niet meer. Je ademhaling is oppervlakkig en stokt af en toe. Je kinderen zijn er, om je heen verzameld als een levende cirkel van liefde. Ze houden je hand vast, maar nu kan je niet meer knijpen. Je bent ver weg, op reis naar de horizon van dit leven. Om je heen wordt op fluistertoon gesproken, onwennig, onzeker. Mijn zorg is nu niet voor jou maar voor hen.

“Niet fluisteren, praat maar tegen hem. Hij hoort je en jullie stemmen zijn het mooiste geluid dat hij kent.โ€