Voor mij geen soep

Regelmatig schrijft een van onze zorgvrijwilligers over haar ervaringen in ons hospice. Deze keer vertelt ze over meneer P. die graag tot het eind van zijn leven de regie hield.

Wij hebben het afgelopen weekend alvast Kerst gevierd, vertelt meneer P. op een sombere dag in oktober als hij zijn intrek neemt in het hospice en ik op zijn aanwijzingen zijn tas uitpak. Zijn ogen twinkelen. ‘Mijn schoondochter wist niet wat ze mij cadeau moest geven en heeft uiteindelijk een doosje aanmaakblokjes gekocht.’ Er verschijnt een brede glimlach op zijn gezicht. ‘Ik word namelijk opgestookt.’
De toon is gezet. ‘Ik loop even met je mee naar de woonkamer’, zegt hij, nadat alle spullen een plekje hebben gekregen. Van lopen is echter allang geen sprake meer. Meneer P., een man van 68, heeft ALS en verplaatst zich in een rolstoel. En hij niet alleen. Ook zijn vrouw is door verschillende aandoeningen al meer dan twintig jaar niet meer mobiel. Samen vormen ze een eenheid. Praten in alle openheid en met humor over hun situatie. ‘Huilen doen we óók samen.’
Toen één van de zoons mee zwom in de Amsterdamse grachten om aandacht te vragen voor de afschuwelijke ziekte, lag meneer P. bij de finish. Op een brancard van de wensambulance.
Een belangrijke reden om naar het hospice te komen is de aanwezigheid van een koppelbed. Met een paar eenvoudige handelingen kan er een matras aan een eenpersoonsbed worden bevestigd. ‘Zo fijn om weer eens tegen elkaar aan te kunnen liggen’, aldus meneer P.

Aan de binnenkant van een keukenkastje hangt het soeprooster en ik zet mijn naam op de lijst. ‘Welke soep vindt u lekker?’, vraag ik aan mijnheer P. die bij de keukentafel is gaan zitten. ‘Wanneer ben jij aan de beurt’, is zijn wedervraag. ‘21 december.’ Hij schudt zijn hoofd en kijkt mij glimlachend aan. ‘Dan hoef je met mij geen rekening te houden.’ Ik slik. Meneer P. heeft een euthanasiewens en zal er dan dus niet meer zijn.

Een paar weken later hebben meneer P. en zijn vrouw een gesprek gehad met de scanarts. De datum is gekozen. ‘Het is goed zo’, zegt hij als ik vraag hoe het voor hem is. ‘Aan de buitenkant is niet zoveel te zien, maar de binnenkant…’ Hij wijst naar zijn hoofd. ‘Mijn draagkracht neemt af.’ Ik meende al een subtiele verandering te zien in de blik in zijn ogen. Alsof hij zich langzaam maar zeker aan het onthechten is. Ik schenk koffie in. Voor meneer P. een ‘dure’ met alles erin, voor zijn vrouw een cappuccino met twee zoetjes. Even later laat hij mij een filmpje zien waarin zijn negen maanden oude kleindochter schaterlachend het ene hapje eten na het andere wegwerkt. Voor het eerst zie ik tranen in zijn ogen.
Ik slik de brok in mijn keel weg.
Zo verdrietig dat hij zijn kleindochtertje niet zal zien opgroeien.
Zo pijnlijk dat hij niet bij de trouwdag van zijn zoon aanwezig zal zijn.
Zo krachtig dat hij de regie over zijn eigen leven houdt.
Zo moedig om datzelfde leven los te durven laten.
Zo verrijkend om een klein stukje met hem mee te mogen lopen.

De avond waarop de euthanasie plaats zal vinden heb ik dienst en neem ik afscheid van meneer P.
‘Hij die gaat sterven, groet u,’ blijken zijn laatste woorden te zijn.

Corrine