Afscheid en nabijheid

Regelmatig schrijft een van onze zorgvrijwilligers over haar ervaringen in ons hospice. Deze keer vertelt ze over meneer J. Om de privacy van betrokkenen te beschermen, noemt ze geen namen.

Al is doodgaan ‘doodgewoon’ en is het een wezenlijk onderdeel van het leven, toch raakt het me elke keer weer als één van onze gasten komt te overlijden. Dat het sterven van de ene gast meer indruk maakt dan de andere, heb ik in de loop der jaren ervaren. Dat je voor de ene gast meer kunt betekenen dan voor een andere, is een gegeven. Persoonlijke gevoelens en emoties mogen er zijn, maar ze zijn altijd ondergeschikt aan die van een gast en zijn of haar familie.

Toen ik op een keer bij aanvang van mijn dienst hoorde dat mijnheer J. die avond euthanasie zou krijgen, voelde ik ontroering. Een paar weken daarvoor mocht ik mijnheer J., die vergezeld werd door één van zijn dochters, welkom heetten. Het was van mijn kant ‘liefde’ op het eerste gezicht. Mijnheer J. met zijn vriendelijke uitstraling, zijn onbevangen en tegelijkertijd kwetsbare blik toen ik me aan hem voorstelde, de warmte waarmee hij naar zijn dochter keek, zijn bescheidenheid… Hij raakte mijn hart. Nadat ze samen met haar zus twee weken thuis intensief voor haar vader had gezorgd, was de dochter aan het einde van haar krachten. Fysiek en mentaal uitgeput. Ik verzekerde haar toen dat wij heel goed voor haar vader zouden zorgen. Dat de tijd die zij samen met haar zus met hem zou doorbrengen hen hopelijk de ruimte zou bieden om vooral weer dochter te kunnen zijn in plaats van mantelzorger.

Die middag dat ik hoorde van de euthanasiewens van meneer J. kwam een van zijn dochters de woonkamer binnen om een schaaltje havermout te halen voor haar vader. Ze vertelde hoe onwerkelijk het was dat hij er de volgende dag niet meer zou zijn. Dat ze een paar weken geleden nog vier spelletjes Rummikub met elkaar hadden gespeeld. Hoe dankbaar ze was omdat ze samen nog een goede tijd hadden gehad. Hoe ze het waardeerde dat er speciaal voor hem een maaltijd van de Chinees was gehaald. Ook vroeg ze me om nog even mee te lopen zodat ik afscheid kon nemen. De vraag overviel me en ik aarzelde, me afvragend of het wel gepast was om binnen te dringen in de intimiteit van hun laatste uren samen. Toch liep ik mee, het schaaltje havermout in mijn hand alsof ik daar de legimitatie in vond te mogen gaan. Toen ik binnenkwam zat mijnheer J. rechtop in de kussens, zijn andere dochter binnen handbereik. Opnieuw raakte hij mij met zijn lieve blik. Terwijl ik me naar hem over boog en mijn hand op zijn arm legde, vertelde ik hem dat ik in de weken waarin hij in het hospice was een beetje van hem was gaan houden. Dat ik hem zou missen en dat ik hoopte dat hij een hele mooie reis zou gaan maken. Met een brok in mijn keel verliet ik zijn kamer en realiseerde ik me dat mijnheer J. mij in het bijzonder had geraakt omdat hij me aan mijn vader deed denken.

Die avond, toen ik rond half acht het hospice verliet omdat mijn dienst was afgelopen, parkeerde ik mijn auto aan het einde van de oprit en keek ik naar de vijf sfeervol verlichte ramen van de gastenkamers. In de laatste kamer lag mijnheer J. Ik stelde me voor hoe vader en dochters afscheid van elkaar namen. Hoe mijnheer J. met een liefdevolle blik in zijn ogen naar hen zou kijken en zij naar hem. Ze zouden elkaar vast en zeker nog lieve woorden toefluisteren. Elkaar een afscheidszoen geven. De dochters – ze zouden hun vader vasthouden, zo lang mogelijk, en dan zouden ze hem in liefde laten gaan. Zo te mogen sterven, omringd door liefde, dát gun ik ieder mens.
Dag lieve mijnheer J.

Corrine